DE BLOEMENKRANS SOETRA

Avatŕmsaka Soetra


Boek Veertien


Lofzangen op Berg Sumeru





In boek 13 werd enigszins uitgebreid ingegaan op namen als Sumeru en Indra.
Ook in dit boek zit de meditator weer neer in zijn visualisatie-meditatie en stelt zich de Boeddha voor zoals hij in Bodh Gaya, de plaats waar hij Ontwaakte, aan de voet van een boom zijn inzicht vervolmaakte. Dat kan de Bodhiboom zijn geweest (de ficus religiosa), of de Nigrodha-boom, een ander bekend landmark op het tempelterrein van Bodh Gaya.
En zoals de Boeddha neerzat te Bodhgaya, zo zat hij in alle tien landen(1) doorheen de in de geest opgeroepen mándala aan werelden.

Vanaf deze plaats inspireerde hij een tiental Bodhisattvas, die ieder een set van tien verzen uitspraken over het hoofdthema van boek 14, ledigheid of śunyatā.
We zijn daarmee dan voorbij de aanvangstrainingen van de eerste serie boeken(2).

In de eerste set verzen wordt gesproken over de oorspronkelijke (of voortijdelijke) gelofte die Boeddhas ooit aflegden. Er wordt zelden of nooit bij verteld wat die gelofte inhoudt, maar dit boek van de Avatámsaka vertelt het ons:

"In iedere wereld
hebben ze [de Bodhisattvas] het vaste voornemen de Boeddhaweg te zoeken,
en gebaseerd op deze gelofte
brengen ze verlichtende(3) daden in praktijk."


De oorspronkelijke gelofte is dus niet meer, maar ook niets minder dan het vaste voornemen (adhisthāna of pranidhāna - (4)) om de Boeddhaweg te begaan, om Boeddha te worden.




In het tweede vers wordt gezegd dat de afwezigheid van inherente aard in de wezens Boeddha is.

Boeddhisme zegt dat het wezen en de dingen geen eeuwige, onveranderlijke, vaste kern hebben.
Om dat uit te leggen wordt vaak de vergelijking gemaakt met de holle plataan, met de holle bananenplant of met de holle palmboom. Wij, in deze streken, zouden kunnen kijken naar de holle oude wilg — die holte zeggen we dan, staat voor de afwezigheid van die kern, die ens.
Dat wat die boom voedt, de levenssappen, vindt zijn weg van de voet van zo'n boom tot aan de bovenste top niet via de kern, maar loopt via het omhulsel van die lege kern.
In die levenssappen vinden we ook niets dat we zouden kunnen aanwijzen als de "levenssapheid" die er altijd onveranderlijk is; en de sapdruppel, als samenstel van een aantal materiële bestanddelen, gaat niet van beneden naar boven, om dan weer op de grond te vallen en het voedende werk opnieuw aan te vangen. Zodra de levenssappen boven in de boom zijn aangekomen, zijn ze getransformeerd tot iets anders.
Hetzelfde kan gezegd worden over de bast. Daarin vinden we geen onveranderende, altijd aanwezige, durende "bastheid". De bast groeit, moleculen komen en gaan, er komen meer twijgen en takken, meer bladeren; er vallen takken af, stukken bast worden afgeknaagd door de schapen. Uiteindelijk is er zowel in de levenssappen, als in de bast — en in alle andere fenomenen in de wereld — niets anders waar te nemen, of liever, te weten, dan een voortdurend komen en gaan van niet meer waar te nemen, niet-materiële deeltjes energie. En ook daar kunnen we niet spreken van een "minieme niet-materiële energiedeeltjes-heid".
Dat noemen we in het Boeddhisme "ledigheid van inherente aard", en zelfs "het zonder beelden zijn"; er is geen kern, geen zelf, geen ziel waarvan je als het ware een fotootje kunt nemen om die op je nachtkastje te zetten om er voor het slapen gaan naar te kijken en te zeggen, dat is míjn kern, míjn ziel, míjn zelf.
Er is niet zoiets, zei Boeddha, waarvan ik kan zeggen, "dat ben ik, dat behoort mij toe, dat is mijn."

Dit is een wat moderne formulering van een oud Boeddhistisch principe. Oorspronkelijk was deze uiteenzetting over de tweevoudige ledigheid, of het tweevoudige niet-zelf ook een kritiek op het op de Vedas gebaseerde Samkhya-systeem dat stelde dat in de vier grote elementen van aarde, water, vuur en lucht een karakteristiek (pradhāna) te vinden zou zijn.

Het tweede vers, dus,

"... De ledigheid van de inherente aard is Boeddha;
Het valt niet met het denken vast te stellen. ..."


De passage wordt voorafgegaan door een vers waarin gezegd wordt dat wanneer je Boeddha ziet "als de Redder van de Wereld" (in een min of meer zintuiglijk waarneembare gedaante), "je slechts een verschijningsvorm vastgrijpt | en je het web van onwetendheid en verwarring alleen maar groter maakt."
Met name in de Lankāvatāra Soetra wordt veel gesproken over onwetendheid; daar wordt duidelijk gemaakt dat onwetendheid māyā is, het kwade.

Deze wetenschap wordt in de vierde cluster verzen nog eens impliciet herhaald: "In het verleden onderging ik leed | omdat ik Boeddha niet zag" [naar zijn ware aard die leeg van essentie is, en illusoir].




In de derde en zesde cluster komt de naam Vairocana voor als het absolute aspect van Boeddha, de oervorm van alle Boeddhas:

"Wetend dat alle dingen
geen eigen inherente aard hebben,
de dingen op deze manier ziend
zie je Vairocana.(5)"




De vijfde cluster heeft deze regels:

"Als je het zien ziet dat de wereld ziet
dan is dat zien een werelds fenomeen;
in werkelijkheid zijn ze gelijk, niet verschillend:
dit wordt waar inzicht genoemd."


Deze regels geven de tweedeling aan die we kunnen ervaren wanneer we "op de mat" zitten en ons tegelijkertijd gewaar zijn van het feit dát we zien terwijl we naar de dingen in de wereld kijken — of die dingen nu gedachten of beelden zijn. Dit is een tweedeling die op dat moment eigenlijk niet gewenst is, binnen de context van de Avatámsaka-meditatie. De negende cluster verzen spreekt dan ook over dualisme en de afwezigheid van dualisme, en doet dat op een manier die van Nāgārjuna , de 1e/2e-eeuwse monnik-geleerde, had kunnen stammen:

"Hierin [in Boeddha's licht = wijsheid] is geen dualisme,
noch is er het ene; ..."


Deze regels verwerpen tegelijkertijd de samengestelde wereld als ultieme werkelijkheid, én de notie dat er iets "Eéns" zou kunnen zijn, een Schepper of "de grote Jat" zoals het Jodendom dat noemt.




De achtste cluster heeft het over het zonder beelden of kenmerken (nimitta) zijn, een van de drie concepten die binnen het Mahāyana-Boeddhisme altijd samen worden genoemd. Het zijn: "het zonder beelden zijn" (animitta)(6), het zonder wensen zijn (apranibita)(6), en het ledig (śunyatā) zijn. Deze set van drie begrippen vinden we al in de Pali-canon, en ook in de Abhidharmakóśa van de niet meer bestaande Sarvastivāda-traditie.

De latere Vajarayana breidt dat uit naar vier en noemt ze "vier deuren naar bevrijding":(realisering van) ledigheid, zonder beelden zijn, zonder wensen zijn, en (het besef van) het niet-samengestelde (asamskrta)(7).
Het zonder beelden zijn is binnen de praktijk van het visualiseren niet denkbaar. Wat er mee bedoeld wordt is het besef van kernloosheid van de dingen. Gaan we ervan uit dat alle dingen uiteindelijk ledig van essentie, dus illusoir zijn, dan hebben ze ook geen uiteindelijk "beeld", geen "gestalte". Alleen dat wat de essentie van de dingen is zou als "beeld" of "kenmerk" aangeduid kunnen worden, maar dat is een postulaat dat het Boeddhisme verwerpt.
Die ledigheid, kernloosheid, is Boeddha - zegt het tweede, bovengegeven citaat.




Na zoveel moeilijks sluit het veertiende boek af met een serie lofzangen waarvan er een luidt:

"Ziet iemand Boeddha,
dan ligt daarin veel verdienste;
de naam van Boeddha horen en vertrouwen (śraddhā) ontwikkelen
is een monument aan de wereld."


Noten:
(1) Zie voor de mándala aan landen boek 2
(2) Zie voor de aanvangstrainingen de samenvatting in boek 12
(3) Verlichtende daden. Hier moet bodhi of een samenstelling daarvan hebben gestaan. Zie de voetnoot bij boek 12
(4) Zie voor 'het vaste voornemen' de bijlage bij boek 3, en ook het komende boek 17.
(5) Zie voor de uitspraakregel van Vairocana boek 1
(6) Zie voor zonder beelden zijn, en voor wensloosheid ook boek 11.
In feite is deze opsomming van "wensloosheid" en de rest een parafraseren op een Leerrede die Boeddha ooit uitsprak ten overstaan van zijn latere meest belangrijke supporter Anatahapindaka. En de Leerrede tot Anatahapindaka ging over het onderwerp Schepping en de onmogelijkheid dat een Schepper, bijvoorbeeld de god Ishvara uit de aan het Hinduďsme ten grondslag liggende vedische systeem er een verlangen op na zou kunnen houden, en dat zo'n verlangen zou kunnen leiden tot het scheppen van dingen en fenomenen, zoals een kind in zijn verveling poppetjes boetseren kan.
(7) Zie voor asamskrta teksten 61 en 62 van de Lankāvatāra Soetra.



Het woord Bloemenkrans staat voor Perfecties die we kunnen behalen en dan als het ware aanbieden aan Boeddha die ons geleerd heeft wat die Perfecties zijn en hoe ze vergaard moeten worden.

Terug naar de startpagina

Naar het volgende boek

Een engelse vertaling werd uitgegeven door Shambala


Deze pagina is er een op de site www.buddha-dharma.eu
www.buddha-dharma.eu is eigendom van White Jade River, Instituut voor Boeddhisme